De overtuigingen die ik meenam naar de oorlog, en de waarheid die ik daar begon te ontdekken
Een gedachte kan door honderd mensen worden herhaald en nog steeds verkeerd zijn!
Toen ik veertien jaar was, had ik al ervaringen meegemaakt die een kind eigenlijk nooit zou moeten meemaken, ervaringen die je kijk op het leven veranderen voordat je überhaupt de kans hebt gekregen om te ontdekken wie je zelf bent, wat je belangrijk vindt en welke overtuigingen werkelijk bij jou horen. Wanneer ik nu terugkijk op die periode, begrijp ik steeds beter dat een mens niet zomaar op een bepaalde manier gaat denken, maar dat zijn gedachten worden gevormd door alles wat hij vanaf zijn geboorte om zich heen ziet, hoort en meemaakt, door de mensen die hem opvoeden, door de omgeving waarin hij opgroeit, door de verhalen die steeds opnieuw worden verteld en vooral door de omstandigheden waarin hij probeert te overleven. Een kind wordt niet geboren met een volledig beeld van de wereld, een kind leert de wereld begrijpen door te kijken naar de mensen die het vertrouwt, en wanneer die mensen vertellen wie goed is, wie slecht is, wie een vijand is en wie bescherming verdient, neemt een kind die informatie vaak over zonder zich af te vragen of alles wel klopt. Dat is niet vreemd, want een kind heeft nog niet de levenservaring om iedere bewering te onderzoeken, het heeft geen toegang tot alle informatie en het beschikt nog niet over de afstand die nodig is om te begrijpen dat volwassenen zich ook kunnen vergissen, dat groepen mensen hun eigen waarheid kunnen creëren en dat iets wat binnen één gemeenschap als vanzelfsprekend wordt beschouwd, buiten die gemeenschap heel anders kan worden gezien. Toen ik veertien was, leefde ik niet in een wereld waarin ik rustig kon gaan zitten om over deze vragen na te denken, ik leefde in een werkelijkheid waarin oorlog een onderdeel van het dagelijkse leven was, waarin gevaar niet alleen een verhaal was dat iemand vertelde, maar iets waarmee je rekening moest houden, en waarin je soms sneller moest handelen dan je eigenlijk kon begrijpen wat er gebeurde. Op die leeftijd zou je bezig moeten zijn met school, vrienden, verliefdheid, sport, muziek en de vraag wat je later wilt worden, maar mijn gedachten werden voor een groot deel bepaald door omstandigheden die veel groter waren dan ikzelf. Ik moest leren kijken, luisteren, opletten en inschatten wat er om mij heen gebeurde, en ondertussen probeerde ik, net als ieder ander kind, betekenis te geven aan de wereld waarin ik terecht was gekomen. Wanneer je in zo’n omgeving opgroeit, worden overtuigingen niet alleen gevormd door gesprekken, maar ook door angst, verlies, herhaling en de behoefte om ergens bij te horen. Je leert bepaalde dingen geloven omdat iedereen om je heen ze lijkt te geloven, omdat mensen die je vertrouwt ze vertellen en omdat het soms gevaarlijk voelt om vragen te stellen over de regels waarmee je bent opgegroeid. Je denkt niet noodzakelijk dat je een overtuiging hebt overgenomen, je denkt gewoon dat de wereld zo in elkaar zit.
Ik begon te begrijpen dat een overtuiging veel meer is dan een gedachte die je af en toe hebt, want een overtuiging kan langzaam veranderen in een soort bril waardoor je alles bekijkt, zonder dat je nog merkt dat je die bril draagt. Wanneer je bijvoorbeeld vanaf jonge leeftijd hoort dat een bepaalde groep mensen gevaarlijk is, ga je hun gedrag op een andere manier interpreteren dan het gedrag van mensen uit je eigen groep. Als iemand uit de groep die jij als vijand beschouwt boos kijkt, kan dat voor jou een teken zijn dat hij iets kwaads van plan is, terwijl je dezelfde blik bij iemand uit je eigen omgeving misschien ziet als een normale reactie op angst of frustratie. Wanneer iemand uit de andere groep een fout maakt, bevestigt dat jouw idee dat die mensen slecht zijn, maar wanneer iemand uit je eigen groep dezelfde fout maakt, zoek je misschien naar een verklaring waarom hij het niet kon helpen. Zo kan een overtuiging zichzelf steeds opnieuw bevestigen, niet omdat ze noodzakelijk waar is, maar omdat je de werkelijkheid op zo’n manier bekijkt dat je vooral ziet wat bij je bestaande gedachte past. Als veertienjarige kon ik dat proces nog niet met zulke woorden uitleggen, maar tijdens mijn ervaringen in de oorlog begon ik wel te merken dat de werkelijkheid niet altijd overeenkwam met de eenvoudige verhalen die mensen over goed en kwaad vertelden. De wereld waarin ik leefde, was niet zwart-wit, ook al probeerden mensen haar soms zo voor te stellen. Er bestonden angst, woede, verdriet, wanhoop, loyaliteit en de behoefte om jezelf en anderen te beschermen, en al die gevoelens konden invloed hebben op de beslissingen die mensen namen. Ik begon te ontdekken dat iemand die overtuigd is van zijn eigen gelijk, daarmee nog niet automatisch gelijk heeft, en dat iemand die zegt dat hij het goede verdedigt, niet altijd begrijpt welke gevolgen zijn handelen voor andere mensen heeft. Dat was voor mij een belangrijke ontdekking, omdat ik begon te zien dat er een verschil bestaat tussen wat mensen je vertellen en wat je zelf kunt waarnemen, tussen wat een groep als waarheid beschouwt en wat er werkelijk gebeurt, en tussen een overtuiging die je helpt om de wereld te begrijpen en een overtuiging die je verhindert om nog verder te kijken.
Tijdens de oorlog kreeg ik te maken met een werkelijkheid waarin mensen voortdurend moesten nadenken over gevaar en overleven, en in zulke omstandigheden wordt het bijzonder moeilijk om rustig te blijven nadenken over de juistheid van alles wat je hebt geleerd. Angst maakt je alert, maar angst kan ook je blik vernauwen, omdat je hersenen op gevaar proberen te reageren voordat je alle informatie hebt kunnen verzamelen. Wanneer je denkt dat iemand een bedreiging vormt, richt je aandacht zich vooral op signalen die dat vermoeden bevestigen, en je hebt minder ruimte om andere mogelijkheden te onderzoeken. Misschien heeft die persoon dezelfde angst als jij, misschien probeert hij zijn familie te beschermen, misschien begrijpt hij de situatie op dezelfde manier verkeerd als jij, maar wanneer je ervan overtuigd bent dat hij jouw vijand is, wordt het moeilijker om die andere mogelijkheden serieus te nemen. Je ziet eerst de vijand en pas daarna, als je daar nog aan toekomt, de mens achter die naam. Dat is een gevaarlijk proces, omdat je iemand steeds gemakkelijker kunt beoordelen op de groep waartoe hij behoort in plaats van op zijn eigen gedrag. En wanneer een hele omgeving dezelfde overtuiging deelt, kan het voelen alsof er geen andere waarheid bestaat. Je kijkt om je heen en ziet mensen die hetzelfde zeggen, dezelfde verhalen vertellen en dezelfde conclusies trekken, waardoor je steeds sterker het gevoel krijgt dat je gelijk moet hebben. Toch is het aantal mensen dat iets gelooft geen bewijs dat het waar is. Een gedachte kan door honderd mensen worden herhaald en nog steeds verkeerd zijn, net zoals een mens die alleen staat soms een belangrijke vraag kan stellen die niemand anders durft te stellen. Ik denk dat dit een van de belangrijkste dingen is die ik uit mijn levenservaringen heb geleerd, namelijk dat zekerheid en waarheid niet hetzelfde zijn. Iemand kan heel zeker zijn van wat hij denkt, terwijl hij maar een klein deel van de werkelijkheid kent, en iemand kan oprecht geloven dat hij het goede doet terwijl hij niet meer ziet dat zijn overtuiging hem ertoe brengt om een ander onrecht aan te doen.
Wat mij vooral aan het denken zette, was het verschil tussen de regels die mensen verdedigen en de manier waarop ze zich in werkelijkheid gedragen. Mensen kunnen spreken over eer, rechtvaardigheid, bescherming, geloof en trouw, maar wanneer de situatie moeilijk wordt, blijkt pas hoe zij die woorden begrijpen. Het is gemakkelijk om te zeggen dat je tegen onrecht bent wanneer je zelf veilig bent, maar het wordt ingewikkelder wanneer je eigen groep iets doet wat niet rechtvaardig is. Dan ontstaat er een innerlijk conflict, want je moet kiezen tussen eerlijk kijken naar wat er gebeurt en vasthouden aan de overtuiging die je altijd hebt verdedigd. Als je erkent dat iemand uit je eigen groep iets verkeerds heeft gedaan, moet je misschien ook erkennen dat jouw eigen beeld van die groep niet volledig klopt. Dat kan pijnlijk zijn, want overtuigingen zijn niet alleen ideeën, ze kunnen onderdeel worden van je identiteit. Je hebt misschien jarenlang gedacht dat jouw groep de goede kant vertegenwoordigt, dat jouw mensen de waarheid kennen en dat je daarom achter hen moet staan. Wanneer je dan iets ziet dat niet bij dat beeld past, moet je niet alleen de gebeurtenis beoordelen, maar ook nadenken over wat die gebeurtenis betekent voor alles wat je tot dan toe hebt geloofd. Sommige mensen kiezen ervoor om hun overtuiging aan te passen aan wat ze zien, terwijl anderen proberen de werkelijkheid zo uit te leggen dat hun overtuiging overeind blijft. Ze zeggen dan dat het een uitzondering was, dat de omstandigheden anders waren, dat er geen andere keuze bestond of dat de mensen die de fout maakten niet werkelijk bij hun groep horen. Soms kunnen zulke verklaringen terecht zijn, maar soms worden ze gebruikt om niet te hoeven erkennen dat er iets mis is met de overtuiging zelf. Zo kan een mens steeds verder van de werkelijkheid af komen te staan, terwijl hij juist denkt dat hij zijn waarheid beschermt.
Ik begon ook anders te kijken naar de manier waarop mensen regels en overtuigingen aan elkaar verbinden. Een regel kan bedoeld zijn om mensen te beschermen, om orde te bewaren of om samen te kunnen leven, maar een regel kan ook zo worden uitgelegd dat hij mensen beperkt, uitsluit of zelfs geweld tegen hen rechtvaardigt. Daarom vind ik het belangrijk om niet alleen te vragen wie een regel heeft gemaakt, maar ook waarom die regel bestaat, voor wie hij bedoeld is en wat er gebeurt wanneer mensen hem volgen. Hetzelfde geldt voor religieuze overtuigingen. Ik wil niet beweren dat religie automatisch leidt tot geweld, want religie kan mensen ook hoop geven, troost bieden, aansporen tot zorgzaamheid en helpen om in moeilijke tijden betekenis te vinden. Maar ik vind wel dat we kritisch moeten blijven kijken naar de manier waarop mensen religieuze teksten uitleggen en gebruiken. Wanneer iemand bijvoorbeeld een oude oorlogstekst leest en daaruit concludeert dat geweld tegen een bepaalde groep mensen altijd gerechtvaardigd is, moeten we ons afvragen of die conclusie werkelijk uit de tekst volgt en of de historische omstandigheden wel worden meegenomen. Wanneer iemand een uitspraak over de waarheid van zijn eigen geloof gebruikt om te beweren dat andere mensen minderwaardig zijn, moeten we onderscheid maken tussen zijn persoonlijke overtuiging en de rechten van de mensen die anders denken. En wanneer iemand zegt dat een handeling goed moet zijn omdat God het wil, vind ik dat hij nog steeds verantwoordelijkheid draagt voor wat hij doet en voor de gevolgen die zijn handelen heeft. Het gevaar ontstaat wanneer een mens niet langer bereid is om zijn eigen oordeel te gebruiken, omdat hij denkt dat een hogere opdracht alle verdere vragen overbodig maakt. Dan kan een overtuiging een soort bescherming worden tegen het geweten, een manier om niet meer te hoeven voelen of onderzoeken wat je een ander mens aandoet.
Ik denk dat de geschiedenis ons veel voorbeelden geeft van mensen die overtuigd waren dat ze een goede zaak verdedigden, terwijl ze tegelijkertijd andere mensen onderdrukten, vervolgden of hun leven afnamen. Dat gebeurde niet alleen vanuit religie, maar ook vanuit politieke ideologieën, nationalisme, racisme en andere overtuigingen waarin een groep zichzelf als beter of belangrijker beschouwde dan een andere groep. Het patroon dat mij interesseert, is niet alleen welke overtuiging iemand heeft, maar hoe die overtuiging zich ontwikkelt en welke stappen iemand zet voordat hij bereid wordt om dingen te doen die hij anders misschien nooit zou accepteren. Eerst leert iemand dat een bepaalde groep anders is, daarna dat die groep gevaarlijk is, vervolgens dat de eigen groep zich moet verdedigen en uiteindelijk misschien dat bijna alles is toegestaan om de eigen groep te beschermen. Niet iedereen die een overtuiging heeft, zal die stappen zetten, en mensen kunnen op ieder moment vragen stellen of een andere keuze maken, maar het laat wel zien hoe gevaarlijk het kan worden wanneer angst, groepsdruk en absolute zekerheid elkaar versterken. Op een gegeven moment denkt iemand niet meer dat hij zelf een keuze maakt, maar dat hij geen andere keuze heeft. Hij kan zelfs geloven dat hij een fout moet verdedigen omdat hij anders zijn familie, zijn gemeenschap, zijn geloof of zijn identiteit verraadt. Zo kan iemand zijn eigen leven opofferen voor een overtuiging, of in extreme omstandigheden het leven van een ander nemen, terwijl hij zichzelf vertelt dat hij een hogere plicht vervult. Voor mij is dat een van de meest aangrijpende kanten van menselijke overtuigingen, omdat iemand dan niet noodzakelijk denkt dat hij kwaad doet, maar oprecht kan geloven dat hij het goede verdedigt. De overtuiging verandert de betekenis van zijn handelingen, waardoor hij geweld kan zien als bescherming, haat als trouw en gehoorzaamheid als rechtvaardigheid. Juist daarom vind ik dat we nooit moeten stoppen met het stellen van vragen, vooral niet wanneer iemand beweert dat een bepaalde zaak zo belangrijk is dat alle andere waarden ervoor moeten wijken.
Wanneer ik terugkijk op mezelf als veertienjarige, besef ik dat ik toen nog midden in een proces zat waarvan ik de volledige betekenis pas veel later kon begrijpen. Ik was een kind dat probeerde te overleven in omstandigheden die niet normaal waren voor een kind, en ik had niet de vrijheid om alles rustig te onderzoeken zoals ik dat nu kan doen. Ik had de overtuigingen die bij mijn omgeving hoorden, ik voelde de invloed van de mensen om mij heen en ik probeerde te begrijpen wat er van mij werd verwacht. Maar mijn ervaringen begonnen mij ook te laten zien dat de werkelijkheid niet altijd past bij de verhalen die mensen erover vertellen. Dat inzicht betekent niet dat ik op dat moment alle antwoorden had, of dat ik iedere overtuiging meteen kon loslaten, want zo werkt een mens niet. Sommige gedachten zitten diep in je hoofd, sommige reacties ontstaan voordat je er bewust over kunt nadenken en sommige ervaringen begrijp je pas wanneer je er jaren later op terugkijkt. Een mens kan iets meemaken zonder onmiddellijk te begrijpen wat het met hem doet, en hij kan jarenlang met bepaalde overtuigingen leven voordat hij ontdekt waar ze vandaan komen. Pas wanneer je afstand krijgt, wanneer je de gebeurtenissen opnieuw bekijkt en jezelf toestaat om vragen te stellen, kun je beginnen te onderscheiden wat je werkelijk zelf denkt en wat je ooit hebt overgenomen omdat je geen andere mogelijkheid zag. Voor mij is dat een belangrijk deel van het volwassen worden, niet alleen ouder worden in jaren, maar ook leren om verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen gedachten. Je hoeft niet alles wat je vroeger hebt geleerd af te wijzen, maar je moet wel bereid zijn om te onderzoeken of het nog klopt, of het je helpt en of het anderen recht doet.
Ik vertel dit verhaal niet om mezelf als iemand neer te zetten die alle waarheid heeft ontdekt, want ik weet dat mijn eigen ervaringen ook maar een deel van de werkelijkheid laten zien en dat ieder mens zijn eigen geschiedenis, angsten en overtuigingen meedraagt. Ik vertel het omdat ik weet hoe sterk de omstandigheden waarin je opgroeit je denken kunnen beïnvloeden, en omdat ik wil dat mensen begrijpen dat overtuigingen niet zomaar uit de lucht komen vallen. Ze worden opgebouwd door herhaling, door emoties, door de behoefte om ergens bij te horen, door de mensen die je vertrouwt en door de gebeurtenissen die je meemaakt. Wanneer je jong bent, kun je iets aannemen omdat je ouders het zeggen, omdat je omgeving het zegt of omdat iedereen om je heen hetzelfde lijkt te geloven. Later kun je die gedachte blijven verdedigen zonder nog te weten waarom je er ooit mee bent begonnen. Je kunt zelfs boos worden op iemand die je er vragen over stelt, niet omdat die persoon noodzakelijk ongelijk heeft, maar omdat zijn vragen je dwingen om iets te onderzoeken wat je jarenlang als vanzelfsprekend hebt beschouwd. Dat is het moment waarop ik denk dat we moeten oppassen, want een overtuiging die geen vragen meer toestaat, kan langzaam veranderen in een gevangenis. Je denkt dat je de waarheid beschermt, maar misschien bescherm je vooral jezelf tegen de onzekerheid die ontstaat wanneer je ontdekt dat je het niet zeker weet.
Daarom wil ik mensen uitnodigen om anders naar hun eigen gedachten te kijken. Wanneer je denkt dat een ander mens slecht is, vraag jezelf dan af waarop je dat oordeel baseert. Heb je zelf gezien wat die persoon doet, of heb je het vooral van anderen gehoord? Wanneer je denkt dat jouw groep altijd gelijk heeft, vraag jezelf dan af of je dezelfde daad op dezelfde manier zou beoordelen wanneer iemand uit een andere groep haar uitvoert. Wanneer je gelooft dat een regel absoluut juist is, onderzoek dan wat die regel betekent voor de mensen die erdoor worden geraakt. En wanneer je merkt dat je een overtuiging met grote woede verdedigt, vraag jezelf dan af waarom die overtuiging zoveel invloed op je heeft en of je misschien bang bent om iets te verliezen wanneer je haar opnieuw onderzoekt. Zulke vragen zijn niet altijd gemakkelijk, want ze kunnen onzekerheid veroorzaken en je dwingen om opnieuw na te denken over dingen die je jarenlang als waarheid hebt beschouwd. Maar onzekerheid hoeft niet altijd een teken van zwakte te zijn, soms is onzekerheid juist het begin van leren. Je hoeft niet onmiddellijk een nieuw antwoord te hebben wanneer je ontdekt dat je oude antwoord niet volledig klopt. Je mag even stilstaan, nadenken, informatie zoeken en luisteren naar mensen die een andere ervaring hebben dan jij. Het belangrijkste is dat je jezelf niet dwingt om een overtuiging te blijven verdedigen alleen omdat je haar vroeger hebt aangenomen.
Wat ik als veertienjarige in de oorlog begon te ontdekken, begrijp ik nu als een les die veel verder gaat dan oorlog alleen. Het gaat over de manier waarop mensen denken, over hoe groepen hun eigen waarheid kunnen vormen en over hoe gemakkelijk een mens iets kan aannemen zonder het werkelijk te onderzoeken. Het gaat ook over de verantwoordelijkheid die we hebben voor wat we met onze overtuigingen doen. Want uiteindelijk kunnen we niet altijd kiezen welke gedachten we voor het eerst te horen krijgen, in welke omgeving we opgroeien of welke ervaringen ons vormen, maar naarmate we ouder worden, krijgen we wel steeds meer mogelijkheden om te onderzoeken wat we hebben meegekregen. We kunnen leren om niet iedere gedachte automatisch als waarheid te beschouwen, om niet iedere emotie als bewijs te zien en om niet iedere regel te volgen zonder na te denken over de gevolgen. We kunnen leren dat een mens meer is dan zijn geloof, zijn afkomst, zijn politieke overtuiging of de groep waartoe hij behoort. We kunnen erkennen dat iemand anders kan denken zonder dat hij daarom onze vijand is, en dat we het oneens kunnen zijn zonder elkaar onze menselijke waardigheid af te nemen.
Ik kan mijn veertiende levensjaar niet opnieuw beleven en ik kan de omstandigheden waarin ik toen leefde niet veranderen, maar ik kan wel proberen om de betekenis van mijn ervaringen te begrijpen en die kennis met anderen te delen. Voor mij gaat het daarbij niet om het opleggen van een nieuwe overtuiging, maar om het aanmoedigen van zelfstandig denken. Ik wil dat mensen niet zomaar mijn woorden geloven omdat ik ze vertel, net zoals ik niet wil dat ze iets aannemen alleen omdat een ander het zegt. Ik wil dat ze zelf nadenken, vragen stellen en onderzoeken wat voor hen klopt, want als ik één ding heb geleerd, dan is het dat overtuiging en waarheid niet hetzelfde zijn en dat de mens die het hardst roept dat hij gelijk heeft niet noodzakelijk degene is die de werkelijkheid het beste begrijpt. Soms vraagt het meer moed om te twijfelen dan om te vechten, meer kracht om een fout toe te geven dan om haar te verdedigen en meer verantwoordelijkheid om een overtuiging los te laten dan om haar koste wat kost vast te houden.
Misschien is dat uiteindelijk wat ik mensen wil meegeven vanuit mijn levenservaringen, dat we moeten oppassen met alles wat ons leert om niet meer zelf na te denken, ongeacht of die boodschap afkomstig is van een groep, een leider, een traditie, een politieke ideologie of een religieuze overtuiging. Want zodra we onze eigen vragen niet meer durven stellen, kunnen we ongemerkt gaan leven volgens regels die we nooit zelf hebben onderzocht. En wanneer we die regels vervolgens gebruiken om anderen te beoordelen, uit te sluiten of pijn te doen, kan iets wat ooit begon als een gedachte uiteindelijk gevolgen krijgen voor echte mensenlevens. Ik was veertien toen ik begon te begrijpen dat de wereld ingewikkelder was dan de overtuigingen die mij werden meegegeven, en hoe langer ik leef, hoe meer ik besef dat we nooit klaar zijn met leren. We moeten blijven kijken, blijven luisteren en blijven onderzoeken, niet omdat we nergens meer in mogen geloven, maar omdat geloof, vertrouwen en overtuiging pas werkelijk betekenis krijgen wanneer we ook de vrijheid hebben om erover na te denken. Voor mij begint echte vrijheid daarom niet bij het hebben van alle antwoorden, maar bij de moed om vragen te blijven stellen, zelfs wanneer de antwoorden die we vinden niet passen bij wat we altijd hebben geloofd.