Angst, een bijzondere helper
Angst is een gevoel dat iedereen kent. Niet alleen kinderen, maar ook grote mensen, opa’s en oma’s voelen soms angst. Dat is helemaal niet raar, want angst hoort bij het leven. Je kunt angst eigenlijk zien als een bijzondere helper die in jouw lichaam woont en altijd probeert om goed op jou te letten. Wanneer jouw hersenen denken dat er misschien iets gevaarlijk is, sturen ze een berichtje naar je lichaam om je klaar te maken. Daardoor kan je hart sneller gaan kloppen, ga je misschien sneller ademen, krijg je zweethanden of voel je kriebels of buikpijn. Dat voelt soms niet fijn, maar eigenlijk probeert je lichaam je alleen maar te beschermen.
Angst bestaat al heel erg lang. Duizenden jaren geleden leefden mensen midden in de natuur waar wilde dieren rondliepen en waar veel meer echte gevaren waren dan nu. Wanneer iemand toen een gevaarlijk dier zag, moest hij heel snel kunnen reageren om veilig te blijven. Daarom hebben mensen een slim alarmsysteem gekregen dat meteen aangaat als er misschien gevaar is. Dat alarmsysteem noemen we angst. Dankzij angst konden mensen snel wegrennen, zich verstoppen of hulp zoeken. Daardoor hadden zij een grotere kans om veilig te blijven leven. Ook nu hebben wij datzelfde alarmsysteem nog steeds, alleen zijn de gevaren vaak heel anders geworden. We hoeven meestal niet meer bang te zijn voor een beer of een wolf, maar misschien wel voor een spreekbeurt, een toets op school, een bezoek aan de tandarts of de eerste keer dat je naar een nieuwe sportclub gaat.
Al vanaf de geboorte kan een baby een beetje angst voelen. Een harde knal, een plotseling geluid of een vreemde beweging kan ervoor zorgen dat een baby schrikt. Naarmate kinderen groter worden, leren hun hersenen steeds meer over de wereld. Daardoor ontdekken zij ook dat sommige dingen spannend kunnen zijn. Het ene kind vindt het donker spannend, terwijl een ander kind bang is voor spinnen, onweer, hoogtes of alleen zijn. Dat is heel normaal, omdat ieder mens anders is en omdat ieder brein op zijn eigen manier leert wat veilig is en wat misschien spannend lijkt.
Wanneer je bang bent, werken je hersenen heel hard. Ze proberen zo snel mogelijk te bedenken of er gevaar is. Soms hebben je hersenen helemaal gelijk en is het verstandig om voorzichtig te zijn. Maar soms maken de hersenen een klein foutje en denken ze dat er gevaar is terwijl je eigenlijk veilig bent. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer je een spreekbeurt moet houden of wanneer je voor het eerst gaat logeren. Je lichaam reageert dan alsof er iets heel gevaarlijks gebeurt, terwijl er eigenlijk niets ergs aan de hand is. Je kunt het vergelijken met een rookmelder die hard begint te piepen terwijl er alleen een boterham een beetje is aangebrand. De rookmelder doet precies waarvoor hij gemaakt is, maar soms vergist hij zich een beetje. Zo werkt angst ook.
Het mooie is dat je hersenen iedere dag kunnen leren. Wanneer je iets spannend vindt en je probeert het toch stap voor stap, ontdekken je hersenen langzaam dat het eigenlijk veilig is. Misschien durf je eerst alleen maar naar een hond te kijken die ver weg loopt. Daarna durf je misschien iets dichterbij te komen en uiteindelijk durf je de hond misschien zelfs voorzichtig te aaien. Zo leert jouw alarmsysteem steeds beter wanneer het echt nodig is om te waarschuwen en wanneer je gewoon rustig kunt blijven. Dat kost soms tijd, maar iedere kleine stap is een stap vooruit.
Als je bang bent, hoef je dat nooit alleen op te lossen. Het helpt vaak om rustig adem te halen, te vertellen waar je bang voor bent of een knuffel te vragen aan iemand die je vertrouwt. Papa, mama, opa, oma, een juf, meester of een andere volwassene kan je helpen om samen naar de angst te kijken. Vaak merk je dan dat de angst langzaam kleiner wordt. Het is belangrijk om te weten dat gevoelens altijd weer veranderen. Ook angst blijft niet voor altijd. Net zoals een regenbui weer overgaat en de zon weer tevoorschijn komt, gaat ook een bang gevoel uiteindelijk weer voorbij.
Sommige kinderen denken dat het niet goed is om bang te zijn, maar dat is helemaal niet waar. Iedereen is wel eens bang. Zelfs brandweermensen, politieagenten, dokters, piloten, sporters en meesters of juffen voelen soms angst. Het verschil is dat zij hebben geleerd dat je ook iets kunt doen terwijl je een beetje bang bent. Dat noemen we moed. Moedig zijn betekent dus niet dat je nooit bang bent, maar dat je ondanks je angst toch een klein stapje durft te zetten.
Onthoud daarom goed dat angst niet je vijand is. Angst wil je helpen en probeert ervoor te zorgen dat je veilig blijft. Soms ziet angst het helemaal goed en waarschuwt hij je voor echt gevaar, maar soms vergist hij zich en maakt hij zich zorgen terwijl dat eigenlijk niet nodig is. Iedere keer dat jij iets nieuws leert of een spannend moment overwint, leren jouw hersenen weer iets bij. Zo word je stap voor stap sterker, dapperder en krijg je steeds meer vertrouwen in jezelf. Daarom is angst geen vervelend gevoel dat weg moet, maar een bijzondere helper die soms nog een beetje moet leren wanneer hij wel en wanneer hij niet hoeft te waarschuwen.

